Eigen cultuur oudere migrant vergroot risico op eenzaamheid

Surinaamse en Antilliaanse ouderen praten met buitenstaanders niet over eenzaamheid. Je hangt je vuile was niet buiten, gebiedt hun cultuur. Maar door het er niet met hulpverleners over te hebben, geven ze eenzaamheid juist extra kans.

Daarvoor waarschuwt in de Amsterdamse Bijlmer gepensioneerd woonbegeleidster Yvonne Penig. Al ruim veertig jaar trekt zij zich het lot van migrantensenioren aan en zet ze zich in om deze ouderen te behoeden voor eenzaamheid door ze meer zelfredzaam te maken. Eerst in verpleeghuizen, nu met een eigen seniorenproject.

Nuchter

‘Randstedeling wordt eenzaam en dik’, kopte een dag na het gesprek met Yvonne Penig (68) de Volkskrant boven een artikel over dat in Den Haag het aantal inwoners met overgewicht en eenzaamheid de komende jaren fors zal stijgen. De noodkreet van de onderzoekers van GGZ Haaglanden betrof vooral ook oudere niet-Westerse allochtonen. “Dat zie ik hier dus ook om mij heen gebeuren. Ik zet mij niet voor niets zo in”, reageert Penig over de telefoon nuchter op het bericht.

Beladen

Als gepensioneerd woonbegeleidster heeft Penig in Amsterdam-Zuidoost, in de Bijlmermeer met z’n vele migranteninwoners, de handen vol aan een door haarzelf opgezet seniorenproject – sinds kort Stichting Pasensie. “Er is in Zuidoost veel eenzaamheid”, vertelt ze de dag voor het Volkskrant-artikel in haar lichte woning in het hart van de vernieuwde Bijlmer. Maar meer nog dan voor autochtone ouderen is eenzaamheid voor veel Surinaamse en Antilliaanse ouderen een beladen woord: “Ze praten er niet over. Je hangt de vuile was niet buiten, leert hun cultuur ze. Maar door het er niet met hulpverleners over te hebben, geven ze eenzaamheid juist extra kans.”

Bitter

Voor Penig is praten over eenzaamheid niet taboe. Zelf, vertelt ze, weet ze goed hoe bitter eenzaamheid smaakt. Kort nadat ze in 1970 met haar jonge gezin van Suriname naar Nederland verhuisde, kwam haar man om bij een verkeersongeluk. “Daar stond ik met twee kleine kinderen in een vreemd land. Er waren momenten dat eenzaamheid de baas over mij probeerde te worden. Maar gelukkig had ik werk en kreeg ik veel steun van een oudere broer en zus die hier al woonden. Dat hield me op de been.”

Verdriet

Door wat ze toen zelf doormaakte, kreeg Penig in verpleeghuizen waar ze werkte, extra oog voor de positie van allochtone ouderen. “Veel migrantenouderen voelen zich eenzaam in zo’n instelling”, oordeelt ze ook nu nog. “Ze hebben geen raakvlakken met Nederlandse ouderen, hebben andere behoeften en voelen zich onbegrepen.” Haar moeder, die ook naar Nederland overkwam, zag ze wegkwijnen vanaf het moment dat die met een nierkwaal naar een verpleeghuis moest: “Na een paar maanden overleed ze, van verdriet.”

Tradities

In de scriptie die ze destijds voor haar opleiding tot woonbegeleidster schreef, pleitte Penig zelfs voor verpleeghuizen speciaal voor Surinaamse ouderen: “Ouderen uit Suriname passen zich heel moeilijk aan tussen Hollandse ouderen. Zij voelen zich er niet thuis. Zij vinden geen aansluiting bij hun belevenissen van vroeger en missen hun eigen culturele en religieuze tradities.”

Onderbeurtje

Het niet aan bod komen van “kleine stukjes eigen cultuur” maken volgens Penig dat voor migrantenouderen het risico op vereenzaming in een verpleeghuis groter is dan thuis. In haar scriptie geeft ze als voorbeeld dat Surinaamse ouderen gewend zijn zich twee keer per dag te wassen, “zeer zeker een onderbeurtje (wassen van het onderlichaam, P.H.) voordat men naar bed gaat”. Ook op de afdeling in het verpleeghuis waar zij toen werkte, was daar door een gebrek aan handen aan het bed geen tijd voor: “En de Hollandse mensen vragen er niet om, want die zijn het niet gewend.” Maar zonder zo’n wasbeurt liggen Surinaamse ouderen niet prettig in bed, voegt ze daar nu in het gesprek aan toe.

Koket

Ze somt nog wat “simpele dingen” op die het gevoel van eigenwaarde van Surinaamse ouderen in een verpleeghuis ondermijnen. Zoals het bereiden van maaltijden zonder het vlees te wassen voordat het de bakpan in gaat. En verzorgers die ’s ochtends bij mensen met een kunstgebit niet eerst de mond én tong borstelen alvorens het gebit in te brengen. En ook het door tijdgebrek niet strijken van kleren. “Waar ik werkte werd ook niet gestreken. Maar een Surinaamse oma zit er graag koket bij. Dus als zo’n vrouw ’s ochtends naar de dagzaal ging, zag ik aan haar hele houding dat ze zich niet happy voelde.”

Vastgeroest

Penig: “Daar in zo’n zaal dan kleertjes breien voor de kleinkinderen zijn Surinaamse vrouwen ook niet gewend. Ze kokkerellen liever.” In haar scriptie legt Penig uit dat Surinaamse senioren graag in hun eigen taal, het Sranantongo, over vroeger praten. “Anekdotes komen dan beter uit de verf, omdat in het Nederlands de essentie wegvalt. En toch wordt er steeds gezegd: spreek Nederlands. Veel Antilliaanse ouderen zijn volgens haar nog echt “vastgeroest” aan hun eigen taal. “Ik wil niet stigmatiseren maar die kampen echt nog met een taalbarrière.”

Zumba

Een vitrine in haar woonkamer toont voorwerpen die ouderen in elkaar knutselden op de activiteitenmiddagen die ze nu voor haar seniorenproject met vrijwilligers organiseert in een zaaltje in de wijk. Vooral Surinaamse en Antilliaanse dames komen er iedere donderdag op af, maar ook een vrouw uit de Dominicaanse Republiek en een Ghanese. “Ook bij slecht weer komen ze. Ze leven er de hele week naar toe. We zingen en koken samen en we doen zumba.” Telkens is er een deskundige die voorlichting geeft over een thema, zoals een begrafenisondernemer of een lezing over dementie of schuldhulpverlening.”

Scootmobiel

“Laagdrempelig” noemt Penig haar aanpak. “Ik ben informeel. Daarom bereik ik de ouderen voor wie ik dit doe beter dan formele instanties. Ze zien mij als een van hen. Surinaamse ouderen lossen problemen liever op binnen de familie. Dat zijn ze gewend. Maar door bijvoorbeeld niet op tijd naar een dokter te gaan, gaat hun gezondheid achteruit. Ik leer ze dus meer assertief te zijn en ga als dat nodig is mee naar het loket, bijvoorbeeld voor een aanpassing van hun woning of voor een scootmobiel.”

Hand

De oudste deelneemster aan haar bijeenkomsten is 86. “Zij is ook bang dat ze zich in een verpleeghuis niet prettig zal voelen”, vertelt Penig. Waarmee ze niet wil zeggen dat er onder ‘haar’ ongeveer dertig nog op zichzelf wonende ouderen geen eenzaamheid voorkomt. Want die is er wel. Bijvoorbeeld doordat vernederlandste kinderen weinig langskomen vanwege een druk bestaan met een eigen gezin en baan. “Bij een deelneemster van wie ik vermoed dat die eenzaam is, ga ik op huisbezoek. Een luisterend oor is heel belangrijk voor ouderen. Naast iemand gaan zitten, zijn hand vasthouden. Dan komt er veel uit hoor. Hele levensverhalen.”

Telefoontje

Penig hoort bij die huisbezoeken ook schrijnende dingen. Zoals iemand die nog alleen brood eet omdat die niet meer bij machte is zelf te koken. Vaak speelt er armoede mee. Ouderen met schulden die niet meer naar de dokter gaan omdat ze de eigen bijdrage niet kunnen betalen. Of die niet meer de deur uit durven en ook niemand meer thuis uitnodigen omdat hun cultuur bepaalt dat ze dan gastvrij moeten zijn en van alles moeten voorschotelen En met gevallen van ouderenmishandeling krijgt ze te maken. “Niet per se fysiek. Wat dacht je van kleinkinderen die oma geld aftroggelen voor een nieuw telefoontje?”

Belastend

Penig vreest dat eenzaamheid onder migrantenouderen vanaf 2015 versneld zal toenemen door de veranderingen in de Wmo en AWBZ. “Allochtone ouderen zijn minder zelfredzaam dan autochtone. Maar voor hun kinderen met drukke levens is mantelzorg ook te belastend. Ik verwacht ook niet dat mijn dochter straks als mantelzorger voor mij klaar staat.” Bij het stadsdeel Zuidoost dringt ze daarom aan op grotere betrokkenheid bij allochtone ouderen. Zo hoopt ze op extra financiële ondersteuning zodat ze met haar stichting ook in andere wijken van Zuidoost migrantensenioren activiteiten kan aanbieden: “Het versterkt de cohesie onder die ouderen. Onderling gaan ze dan ook aan mantelzorg doen.”

Jong

In de voorbije Week tegen Eenzaamheid stond Penig met de deelnemers van de donderdagbijeenkomst extra stil bij wat eenzaamheid met ouderen doet. Een grote wens van haar is dat een volgende Week tegen Eenzaamheid volledig in het teken staat van eenzaamheid onder migrantenouderen. “Omdat er over die problematiek nog zo weinig bekend is.” Maar tot het zover is, staat haar agenda vol met activiteiten in haar eigen wijk. Dus ook met haar werk als telefoonvrijwilliger van Humanitas en de mantelzorg voor een zieke buurvrouw. “Mijn eigen kinderen zeggen wel eens dat ik het nu drukker heb dan toen ik nog werkte. Maar ik doe het met veel plezier. Het houdt me jong en voorkomt eenzaamheid.”

Paul Hazebroek

Meer strijders tegen eenzaamheid

Lees meer persoonlijke verhalen in de serie Strijders tegen eenzaamheid door Paul Hazebroek.