Hoe meet je eenzaamheid?

Meten is weten. Ook als het om eenzaamheid gaat. Welk instrument moet je gebruiken als je eenzaamheid wilt meten? Hoe wordt eenzaamheid eigenlijk gemeten? Een inkijkje in het tot stand komen van de cijfers.

Wanneer je iets leest over eenzaamheid dan vliegen de cijfers je doorgaans om de oren. Zo voelt bijna 40 procent van de volwassen bevolking zich eenzaam, zijn mannen vaker eenzaam dan vrouwen is bijna 27 procent van de Nederlanders boven de 18 jaar emotioneel eenzaam en bijna 40 procent sociaal eenzaam1. Eerder had ik het er al over hoe deze eenzaamheid cijfers geïnterpreteerd moeten worden. Nu een inkijkje in de instrumenten die gebruikt worden om deze eenzaamheid te meten.

Direct meten van eenzaamheid

De meest simpele manier om te achterhalen of iemand zich eenzaam voelt, is door mensen hier direct naar te vragen. Bij zo’n directe meting worden vragen gebruikt als: ‘Als we mensen zouden indelen in niet eenzaam, matig eenzaam, sterk eenzaam en zeer sterk eenzaam, waar zou u zich dan nu toe rekenen?’ Of respondenten reageren op een stelling, bijvoorbeeld: ‘Ik voel me wel eens eenzaam.’ met als mogelijke antwoorden ‘nee’, ‘min of meer’ en ‘ja’.

Het voordeel van deze manier van eenzaamheid meten is dat het zowel voor de persoon die de vraag moet beantwoorden als voor de onderzoeker heel inzichtelijk is wat er gemeten wordt. Wanneer iemand aangeeft zich eenzaam te voelen, kun je ervan uitgaan dat dit ook zo is. Het nadeel van deze manier van meten is dat deze zo direct is, dat niet iedereen zomaar zal toegeven zich eenzaam te voelen. Dat levert een grote kans op – wat onderzoekers noemen – ‘onderrapportage’ op. Wanneer iemand aangeeft zich niet eenzaam te voelen, weet je niet zeker of dit ook daadwerkelijk het geval is. Een ander nadeel is dat er weinig nuanceverschil gemeten wordt. Gradaties van eenzaamheid worden niet goed zichtbaar door deze manier van meten.

Eenzaamheidsschalen

De andere veel gebruikte manier om eenzaamheid te meten is door middel van eenzaamheidsschalen. In deze speciaal ontwikkelde onderzoeksinstrumenten wordt het woord ‘eenzaamheid’ niet gebruikt. Zo wordt voorkomen dat mensen een sociaal wenselijk antwoord invullen.

Een voordeel van een eenzaamheidsschaal is dat gradaties in eenzaamheid goed zichtbaar worden. Een ander voordeel is dat schalen een goede, betrouwbare afspiegeling geven van eenzaamheid in een bepaalde groep. Het nadeel is dat de bestaande schalen niet betrouwbaar genoeg zijn om als individueel meetinstrument te gebruiken. Op basis van een schaalscore kan geen uitspraak gedaan worden over iemands individuele gevoel van eenzaamheid, ook al zie je de eenzaamheidsschaal soms op websites opduiken als zelftest. Een eenzaamheidsschaal als diagnostisch instrument gebruiken is op dit moment niet mogelijk en kan dus tot een verkeerde diagnose leiden.

Verschillende schalen

Er bestaan veel verschillende eenzaamheidsschalen. Wereldwijd is de UCLA loneliness scale2,3 waarschijnlijk de meest gebruikte. Deze schaal bestaat uit twintig stellingen, bijvoorbeeld: ‘I am unhappy doing so many things alone’. Per stelling kunnen mensen aangeven dat ze zich vaak, soms, zelden of nooit zo voelen. De UCLA loneliness scale meet eenzaamheid als een eendimensioneel concept en maakt dus geen onderscheid tussen subtypen van eenzaamheid. Hiermee scheert deze schaal alle vormen van eenzaamheid over één kam.

De eenzaamheidsschaal ontwikkeld door prof. Jenny Gierveld4,5 die in Nederland doorgaans gebruikt wordt, kan eenzaamheid als eendimensioneel concept meten, maar kan ook onderscheid maken tussen sociale en emotionele eenzaamheid. Deze schaal, ook wel gemis-intensiteitsschaal genoemd, bevat elf stellingen, zoals: ‘Er zijn genoeg mensen op wie ik in geval van narigheid kan terugvallen’. Mensen kunnen op deze stellingen reageren met ‘nee’, ‘min of meer’ of ‘ja’. Om de scores van deze eenzaamheidschaal wat leesbaarder te maken, worden ze vaak opgedeeld in categorieën: niet, matig, ernstig of zeer ernstig eenzaam. Echter, door een schaal bestaande uit elf punten op te delen in vier categorieën gaat nuance verloren. Het is daarom van belang om de schaal te blijven beschouwen als een elf-punt-schaal en deze niet te reduceren tot een schaal met slechts vier mogelijke uitkomsten.

Ook een derde veel gebruikte schaal, de Social and Emotional Loneliness Scale for Adults6, meet eenzaamheid als een multidimensionaal concept. Deze schaal bevat vijftien stellingen en onderscheidt sociale, familiale en romantische eenzaamheid. Deze drie eenzaamheidsschalen zijn ontwikkeld voor volwassenen. Voor kinderen zijn er andere ontwikkeld zoals de Children's Loneliness Scale7 en de Loneliness and Aloneness Scale for Children and Adolescents8.

Hoe ga ik nu eenzaamheid meten?

Dat is natuurlijk sterk afhankelijk van het doel. Wanneer je een beeld wilt krijgen van de eenzaamheid onder een bepaalde groep mensen, dan ligt een keuze voor een schaal voor de hand. Heb je interesse in de ontwikkeling van subtypen eenzaamheid? Kies dan een schaal waarin deze gemeten worden. Wil je iemands individuele eenzaamheid meten, stel dan een directe vraag. Want bij een individu is directe bevraging nog altijd de meest betrouwbare meting. Op dit moment is er geen eenzaamheidschaal die dusdanig betrouwbaar is, dat op basis van de testscore een diagnose van eenzaamheid gesteld kan worden.

Eric Schoenmakers, 1 mei 2014

Op basis van wetenschappelijk onderzoek bespreekt dr. Eric Schoenmakers maandelijks een aan eenzaamheid gerelateerd onderwerp. Schoenmakers promoveerde in oktober 2013 op het onderwerp ‘eenzaamheid’ aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij is auteur van het boek Coping with Loneliness. Momenteel is Schoenmakers onder andere werkzaam als docent Toegepaste Gerontologie aan de Fontys Hogeschool in Eindhoven.

Terug naar Een blik op eenzaamheid uit de wetenschap 

Literatuur:

  1. GGD, CBS, RIVM. Nationaal kompas volksgezondheid. Geraadpleegd op 1 april, 2014.

  2. Russell DW, Peplau LA, Ferguson ML. Developing a measure for loneliness. Journal of Personality Assessment. 1978; 42:290-294.

  3. Russel DW. UCLA loneliness scale (version 3): Reliability, valididy, and factor structure. Journal of Personality Assessment. 1996; 66:20-40.

  4. De Jong Gierveld J, Kamphuis FH. The development of a Rasch-type loneliness scale. Applied Psychological Measurment. 1985; 9: 282-299.

  5. De Jong Gierveld J, Van Tilburg, TG. Manual of the Loneliness Scale. Amsterdam, VU University, 1999.

  6. DiTomasso E, Spinner B. Social and emotional loneliness: A re-examination of Weiss’ typology of loneliness. Personality and Individual Differences. 1997; 22: 417-427.

  7. Asher SR, Hymel, S, Renshaw PD. Loneliness in Children. Child Development. 1984; 55: 1456-1464.

  8. Marcoen A, Goossens L, Caes P. Loneliness in pre-through late adolescence: Exploring the contributions of a multidimensional approach. Journal of Youth and Adolescence. 1987; 16: 561-576.