Sociale netwerken van ouderen geven geen krimp

Onderzoek laat zien dat de sociale eenzaamheid met de jaren stijgt en een groot probleem is onder ouderen. Vaak wordt gedacht dat dit te maken heeft met een afnemend sociaal netwerk. Maar dat verband is niet 1-op-1 te leggen, betoogt Eric Schoenmakers in zijn blog. Want de sociale netwerken van veel ouderen veranderen met de tijd, maar nemen niet in omvang af.

Zoals de titel al aangeeft gaat deze column over sociale netwerken van ouderen en niet over eenzaamheid. Eenzaamheid wordt vaak geweten aan het hebben van een te klein sociale netwerk. Vaak wordt verondersteld dat ouderen een krimpend sociaal netwerk hebben. Eén en één lijkt vervolgens twee en zo wordt ten onrechte een relatie gelegd. Het verband tussen sociale netwerken en eenzaamheid is echter twijfelachtig.

Eenzaamheid hangt samen met het gevoel van gemis van bepaalde sociale contacten. Het gaat niet puur om aantallen. Iemand kan zich eenzaam voelen omdat hij de aanwezigheid van goede buren of een inbedding in de wijk mist en desondanks een rijk sociaal netwerk hebben, gevuld met familie, vrienden, collega’s etc. Relaties zijn niet zomaar onderling uitwisselbaar. Bovendien wordt vaak ten onrechte aangenomen dat netwerken van mensen krimpen naarmate ze ouder worden. Dit is een fabeltje.

Gemiddelde omvang netwerk stabiel, wel veranderingen

Al in de jaren negentig werd bewezen dat netwerken van ouderen (65-plussers) gemiddeld genomen stabiel zijn in omvang. Wel bleek uit dat onderzoek dat de samenstelling veranderde. Naarmate men ouder werd, nam de proportie familie in het netwerk toe en de proportie niet-familie (vrienden, kennissen en buren) af. Met andere woorden, vrienden, kennissen en buren werden vervangen door de partners van de kinderen, kleinkinderen en neven en nichten. Om verschillende redenen vielen er mensen uit de netwerken van ouderen af, maar er kwamen er ook steeds weer bij1. Natuurlijk gaat het hier om een gemiddelde. Er zijn krimpende netwerken, maar ook groeiende.

In de huidige samenleving neemt de omvang van families af. Familierelaties worden door scheidingen en nieuwe samenlevingsvormen vluchtiger. Vriendschapsrelaties worden daarentegen belangrijker gevonden. Dit zijn immers de mensen die je zelf kiest. Deze veranderingen in de samenleving vinden we ook terug in de netwerken van ouderen. Uit onderzoek2 blijkt dat jongere ouderen tegenwoordig vaker en meer vrienden in hun sociale netwerk hebben dan hun leeftijdsgenoten van voorgaande generaties. Vriendschappen blijven tegenwoordig bovendien langer behouden in de sociale netwerken van ouderen dan in voorgaande generaties.

Waar vroeger het aandeel niet-familieleden in het sociale netwerk vanaf ongeveer het zeventigste levensjaar sterk afnam, zien we dat dit voor de huidige groep ouderen niet opgaat. Niet-familieleden blijven een groot deel van het sociale netwerk uitmaken (35 tot 40 procent)3. Natuurlijk blijft het de vraag hoe zich dat verder gaat ontwikkelen. Wellicht dat het aandeel vrienden in het sociale netwerk op latere leeftijd bij deze ouderen ook af gaat nemen. Feit is dat niet-familieleden tegenwoordig langer deel uit blijven maken van de sociale netwerken van ouderen dan vroeger.

Social-emotional selectivity theory: doelen van het netwerk

Het sociale netwerk dient voor mensen met verschillende leeftijden verschillende doelen. Wanneer men jong is, investeert men in een breed sociaal netwerk. Sociale contacten kunnen je namelijk in contact brengen met anderen en dit kan van alles opleveren, zoals een liefdesrelatie of een baan. Jongeren hebben nog een ruime tijdspanne voor zich. Het is niet erg als investeringen in bepaalde contacten niets opleveren. Naarmate we ouder worden en de tijdspanne voor ons afneemt, is het belangrijker dat de investeringen die we maken in ons sociale netwerk ook iets opleveren. Daarom investeren ouderen meer in relaties die al bestaan, die hun waarde al bewezen hebben.

Dit proces wordt beschreven in de ‘social-emotional selectivity theory’4.

Middels deze theorie kunnen de eerder genoemde veranderingen in de netwerken van ouderen mogelijk verklaard worden. Vroeger waren familierelaties het belangrijkst. Op hen kon je later in het leven terugvallen, met hen had je de meest hechte band. Dit verklaart dat vrienden destijds minder lang in iemands sociale netwerk bleven. Tegenwoordig zijn vrienden belangrijker geworden in sociale netwerken. Zij nemen taken van familierelaties over en blijven dus langer vertegenwoordigd in de netwerken van ouderen.

Specifiek gemis

Deze column ging niet over eenzaamheid; deze column ging over sociale netwerken van ouderen. Deze netwerken zijn gemiddeld genomen prima in orde. Ook de sociale netwerken van eenzame mensen kunnen overigens in orde zijn. Iemand kan veel mensen om zich heen hebben, hier bovendien diepgaande relaties mee hebben en zich toch eenzaam voelen. Eenzaamheid komt voort uit het gemis van één specifiek iemand of een specifieke groep mensen. Anderen kunnen niet altijd een vervanging zijn en dat hoeft ook niet. Laten we voortaan de begrippen eenzaamheid en sociale netwerken los zien van elkaar. Hiermee voorkomen we dat we werken aan iets dat geen aandacht behoeft en dat we het echte probleem negeren.

Eric Schoenmakers, 7 november 2014

Op basis van wetenschappelijk onderzoek bespreekt dr. Eric Schoenmakers maandelijks een aan eenzaamheid gerelateerd onderwerp. Schoenmakers promoveerde in oktober 2013 op het onderwerp ‘eenzaamheid’ aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij is auteur van het boek Coping with Loneliness. Momenteel is Schoenmakers onder andere werkzaam als docent Toegepaste Gerontologie aan de Fontys Hogeschool in Eindhoven.

Lees meer blogs van Eric Schoenmakers


Gebruikte literatuur

  1. Van Tilburg TG. Losing and gaining in old age: Changes in personal network size and social support in a four-year longitudinal study. Journals of Gerontology: Social Sciences. 1998; 53B: S313-S323.
  2. Stevens NL, Van Tilburg TG. Cohort differences in having and retaining friends in personal networks in later life. Journal of Social and Personal Relationships. 2011; 28: 24-43.
  3. Suanet B, Van Tilburg TG, Broese van Groenou MI. Nonkin in older adults’ personal networks: More important among later cohorts? Journals of Gerontology, Series B: Psychological Sciences and Social Sciences. 2013; 68: 633-643.
  4. Carstensen LL. The influence of a sense of time on human development. Science. 2006; 312: 1913-1915.