Op zoek naar het eenzaamheidsgen

Johannes Leendert van der Giessen was tussen 2006 en 2008 de oudste levende man van Nederland. Tot zijn overlijden heeft hij gerookt. Longkanker was niet de oorzaak van zijn overlijden. Andere mensen roken zelden of helemaal niet en sterven op jonge leeftijd aan longkanker. Hoe dat kan? Simpel, niet iedereen heeft evenveel genetische aanleg voor longkanker. Roken vergroot ieders kans op longkanker, maar omdat niet iedereen bij aanvang evenveel aanleg heeft, verschillen de kansen. Zou hetzelfde voor eenzaamheid ook waar kunnen zijn? Zijn er mensen met meer genetische aanleg voor eenzaamheid?

In ons denken ligt het voor de hand eenzaamheid te relateren aan levensgebeurtenissen zoals werkloosheid, chronische ziekte, echtscheidingen en verweduwing. Dat een tekort aan ‘vaardigheden’ of ‘kenmerken’ zoals het hebben van sociale vaardigheden, een positief zelfbeeld of zelfredzaamheid een samenhang met eenzaamheid vertoont, ligt wellicht al minder voor de hand, maar we kunnen ons er wel iets bij voorstellen. De relatie tussen de genen en eenzaamheid wordt minder vaak gelegd. In het recent gepubliceerde artikel The genetics of loneliness: Linking evolutionary theory to genome-wide genetics, epigenetics, and social science1 doen prof. dr. Luc Goossens en zijn collegae precies dat. Ik vat hun belangrijkste bevindingen samen.

Erfelijkheid

Als genen een rol spelen in het verschijnsel eenzaamheid, dan betekent dit dat eenzaamheid erfelijk is. Ofwel, wanneer ouders genetisch belast zijn met een grotere kans op eenzaamheid, dan zouden hun kinderen dat ook moeten zijn. Dit zou betekenen dat mensen met een identiek genenpatroon een gelijke kans op eenzaamheid hebben. Verschillende studies onder eeneiige tweelingen (die genetisch gezien zeer nauw overeenkomen) tonen dit effect inderdaad aan. Een nuance: erfelijkheid betekent niet dat genetische aanleg voor eenzaamheid per se wordt doorgegeven. Kinderen krijgen altijd genen van hun vader én van hun moeder. Een-op-eenoverdracht van de verantwoordelijke genen is dus niet noodzakelijk.

Specifieke genen

Erfelijkheid veronderstelt dat eenzame mensen in genoom (de complete genetische samenstelling) afwijken van niet-eenzame mensen. Ofwel, dat er specifieke genen zijn die de kans op eenzaamheid vergroten. Het menselijk genoom bestaat uit ongeveer 3 miljard genen. Een groot deel hiervan is voor alle mensen hetzelfde, maar niet alles. Een aantal ‘kandidaat-genen’ is onderzocht en vertoont mogelijk een relatie met de kans op eenzaamheid. Zo is van een genencluster dat de naam OXTR gekregen heeft, bekend dat het samenhangt met een lager sociaal vertrouwen, hetgeen een indicator voor eenzaamheid kan zijn. Maar het is nog te voorbarig om een definitief verband te leggen. Er is te weinig onderzoek gedaan naar deze complexe relaties. Het is bovendien zeer waarschijnlijk dat er niet één gen is dat de kans op eenzaamheid vergroot, maar dat een combinatie van genen of van genenstelsels daarvoor verantwoordelijk is.

Gevoeliger voor eenzaamheid

Mensen kunnen dus door genetische aanleg een grotere kans op eenzaamheid hebben. Eenzaamheid is in deze dus vergelijkbaar met een ziekte als longkanker. Nu is het niet zo dat aanleg voor eenzaamheid betekent dat die mensen zich per se eenzaam gaan voelen. Er is sprake van een conditioneel effect. Bepaalde omstandigheden (levensgebeurtenissen, kenmerken, vaardigheden) stimuleren eenzaamheid. Mensen met ‘aanleg voor eenzaamheid’ zullen hier gevoeliger voor zijn en zich sneller of sterker eenzaam voelen. Mensen met minder of geen aanleg zijn weerbaarder, maar niet immuun. Iedereen loopt risico.

Verstrekkende gevolgen

De relatie tussen genetische aanleg en eenzaamheid heeft verstrekkende gevolgen. Wanneer vastgesteld kan worden welke mensen aanleg voor eenzaamheid hebben. Dan kunnen hulpverleners hen extra in de gaten houden. Door middel van preventieve interventies kunnen hulpverleners deze mensen beter wapenen tegen eenzaamheid. Door middel van curatieve of regulerende interventies kunnen we deze mensen beter ondersteunen na ingrijpende levensgebeurtenissen. Bestrijding van eenzaamheid zou veel gerichter kunnen plaatsvinden, waardoor het efficiënter en effectiever wordt. Voor hulpverleners is dit een uitkomst die betekent dat zij hun werk veel beter uit kunnen voeren.

Eric Schoenmakers, 7 juli 2015

Lees de andere blogs van Eric Schoenmakers

 

Op basis van wetenschappelijk onderzoek bespreekt dr. Eric Schoenmakers maandelijks een aan eenzaamheid gerelateerd onderwerp. Schoenmakers promoveerde in oktober 2013 op het onderwerp ‘eenzaamheid’ aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij is auteur van het boek Coping with Loneliness. Momenteel is Schoenmakers onder andere werkzaam als docent Toegepaste Gerontologie aan de Fontys Hogeschool in Eindhoven.

Lees de andere blogs van Eric Schoenmakers


Literatuur

Bovenstaande tekst is in zijn geheel gebaseerd op onderstaande bron en de daarin gebruikte bronnen:

  1. Goossens L, Van Roekel E, Verhagen M, Cacioppo JT, Cacioppo S, Maes M, Boomsma DI. The genetics of loneliness: Linking evolutionary theory to genome-wide genetics, epigenetics, and social science. Perspectives on Psychological Science. 2015; 10: 213-226.

Beeld: Svilen Milev