Eenzaamheid in de buurt aanpakken door verbeteren van de leefkwaliteit

In sommige buurten komt eenzaamheid meer voor dan in andere, zo blijkt uit verschillende GGD-monitoren, waarin vaak per wijk of deelgebied wordt bijgehouden hoe vaak eenzaamheid in de gemeente voorkomt. Hoe verklaart men dat verschil tussen buurten?

Foto: Flickr, CC BY 2.0

Oorzaken van eenzaamheid worden vaak toegeschreven aan individuele levensgebeurtenissen, zoals veranderingen in partnerstatus, verminderde gezondheid of mobiliteit en een lage(r wordende) sociaaleconomische status1-5. Mensen in ‘minder gunstige’ omstandigheden hebben daarbij een grotere kans op eenzaamheid. Natuurlijk is het zo dat in sommige buurten nu eenmaal meer individuen wonen die een groter risico lopen op eenzaamheid, maar is dat de hele verklaring? Of zijn er bepaalde kenmerken van een buurt die maken dat de eenzaamheid in verschillende buurten anders ervaren wordt? De relatie tussen buurtkenmerken en eenzaamheid is door professor Ade Kearns en collega’s6 aan de University of Glasgow onderzocht.

Meer eenzaamheid in slechte buurten

Dat onderzoek speelt zich af in de ‘slechte buurten’ van het Schotse Glasgow. Aan ruim vierduizend bewoners van verschillende leeftijden zijn vragen gesteld over hun buurt en hun beleving daarvan, bijvoorbeeld hoe zij de kwaliteit van de buurt ervaren, of ze gebruik maken van aanwezige faciliteiten en hoeveel mensen ze er kennen. Er zijn ook vragen gesteld over de mate waarin bewoners eenzaamheid ervaren. Eenzaamheid bleek in deze buurten vaak voor te komen, twee op de vijf bewoners zegt ‘wel eens eenzaam’ te zijn, één op de zes bewoners zegt ‘vaak of altijd eenzaam’ te zijn.

De resultaten tonen aan dat buurtkenmerken van invloed zijn op eenzaamheid. Wanneer bewoners hun buurt van hogere kwaliteit achten en wanneer zij gebruikmaken van meer faciliteiten in de wijk, zijn zij minder vaak eenzaam. Ook bewoners die meer mensen in de buurt kennen, zijn minder vaak eenzaam. Buurtbewoners die niet of minder sociaal gedrag vertonen, die minder collectiviteit ervaren in de buurt en die zich onveilig voelen wanneer ze ’s nachts alleen over straat moeten, ervaren juist vaker eenzaamheid. De beleving van de (veiligheid van de) buurt en het ‘kennen’ van de buurt en diens mogelijkheden zijn dus van belang in relatie tot eenzaamheid.

Misschien wel verrassend is dat de tijd die iemand al in een bepaalde buurt woont, geen invloed heeft op gevoelens van eenzaamheid. Het is dus niet per se zo dat mensen die al langer in een buurt wonen, daar een groter of rijker netwerk opbouwen en dat dit van invloed is op hun eenzaamheid.

Buurt of individu?

Nu kun je je nog afvragen of je de hogere eenzaamheidscijfers echt kunt toeschrijven aan de buurtkenmerken, of dat ze meer zeggen over de mensen die er wonen. De ervaring van kwaliteit van de buurt, het al dan niet gebruik maken van faciliteiten, hoeveel mensen je kent, etc., het blijven allemaal belevingen van het individu. Omdat het gaat om grotere aantallen bewoners mag geconcludeerd worden dat er toch op buurtniveau iets aan de hand lijkt te zijn. Waarschijnlijk is vooral de interactie tussen beiden, het individu en de buurt, belangrijk.

Eenzaamheid bestrijden in de buurt

Het onderzoek van Kearns en zijn collega’s6 biedt aanleiding om na te denken over het aanpakken van eenzaamheid door de leefkwaliteit in de buurt te verbeteren. De resultaten duiden erop dat als we ‘slechte buurten’ aanpakken en opknappen, de eenzaamheid er wel eens zou kunnen afnemen naar een niveau van betere buurten. Een kritische kanttekening daarbij is dat er in ‘slechte buurten’ waarschijnlijk ernstigere problemen zijn dan eenzaamheid. Denk bijvoorbeeld aan een gebrek aan veiligheid of aan armoede. Dit zijn geen makkelijke problemen om aan te pakken. Het lijkt mij zeer verstandig om daarmee aan de slag te gaan, maar misschien niet met als hoofddoel de eenzaamheid van mensen te verminderen – het is wel een mooi neveneffect.

Eric Schoenmakers

Gebruikte literatuur

  1. De Jong Gierveld J. A review of loneliness: Concept and definitions, determinants and consequences. Reviews in Clinical Gerontology. 1998; 8: 73-80.
  2. Fokkema T, De Jong Gierveld J, Dykstra PA. Cross-national differences in older adult loneliness. The Journal of psychology. 2012; 146: 201-228.
  3. Lasgaard M, Armour C, Bramsen RH, Goossens L. Major life events as predictors of loneliness in adolescence. Journal of Child and Family Studies. 2016; 25: 631-637
  4. Lauder W, Sharkey S, Mummery K. A community survey of loneliness. Journal of advanced Nursing. 2004; 46: 88-94
  5. Victor CR, Scambler SJ, Bowling A, Bond J. The prevalence of, and risk factors for, loneliness in later life: a survey of older people in Great Britain. Ageing & Society. 2005; 25: 357-375
  6. Kearns A, Whitley E, Tannahill C, Ellaway A. ‘Lonesome town?’ Is loneliness associated with the residential environment, includijng housing and neigborhood factors? Journal of community psychology. 2015; 43: 849-867